Geervliet sluit herdenking rampjaar af met onthulling borstbeeld Cornelis de Witt

GEERVLIET – Bij de naam Cornelis de Witt denkt men in eerste instantie aan de stad Dordrecht, waar hij en zijn jongere broer Johan geboren werden, en aan Den Haag, waar de gebroeders in 1672 werden vermoord. Maar ook Geervliet had als hoofdstad van Putten banden met Cornelis de Witt.

In 1654 werd Cornelis de Witt door de Staten van Holland aangesteld als Ruwaard van Putten. Hij werd in deze streek hun hoogste vertegenwoordiger. Als Hoofdofficier van Justitie eiste hij recht voor de Putse Hoge Vierschaar, de rechtbank die bijeenkwam op het Hof van Putten. Dit slot, dat in Geervliet ten zuiden van de kerk stond, was ook de officiële residentie van de Ruwaard. Het rechtsgebied van Putten strekte zich uit over Putten binnen en buiten de ring (Spijkenisse, Hekelingen, Simonshaven, Biert en Zuidland), Putten over het Spui (Piershil en Korendijk), Putten over Flakkee (Ooltgensplaat, Den Bommel, Stad aan ‘t Haringvliet) en Putten over de Maas (Hoogvliet, Poortugaal, Pernis, Katendrecht en Charlois). Aan de functie van Ruwaard was ook onlosmakelijk die van Opperdijkgraaf van Putten verbonden. In die kwaliteit gaf Cornelis de Witt leiding aan het Dijkcollege van de Ring van Putten, dat vergaderde in de Gemenelandskamer, de verdieping van het Geervlietse stadhuis. Bovendien was de Ruwaard automatisch ook schout van de stad Geervliet. In die hoedanigheid was hij aanklager voor de schepenrechtbank.

Als Ruwaard had Cornelis de Witt namens de Staten ook het laatste woord in de beroeping van predikanten. Zo kon hij met voorbijgaan aan de Geervlietse Kerkenraad Philippus Baldaeus een plaats op de Geervlietse kansel bezorgen en daarmee het schrijven van diens beroemde boek over Ceylon faciliteren. De wrijving tussen Oranje- en Staatsgezinden was een zaak die in de hele Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden voor onrust zorgde. Maar het drama van 20 augustus 1672, waarin die tegenstelling culmineerde, vond zijn aanleiding in Geervliet. Tegen Willem Tichelaar, een voor het Putse gerecht gedaagde chirurgijn-barbier uit Piershil, had Cornelis de Witt behalve een boete ook geëist dat deze op zijn knieën om vergiffenis zou smeken. Vanuit de rancune die dit bij Tichelaar teweegbracht, kwam hij tot de valse beschuldiging die leidde tot de arrestatie van Cornelis de Witt met de bekende dramatische afloop.

De gebroeders De Witt hebben een standbeeld in Dordrecht, Johan de Witt nog een in Den Haag. De Stichting Oud-Geervliet was van mening dat Cornelis de Witt een eigen standbeeld in Geervliet verdiende en gaf aan de beeldhouwer Roy Greve te Elp opdracht tot het vervaardigen van een bronzen borstbeeld. Dit borstbeeld op sokkel is vandaag op het Sint-Anthonieplein te Geervliet onthuld door prof. dr. J. A. Bruijn, voorzitter vande Eerste Kamer der Staten-Generaal. Deze bronzen buste kon worden verwezenlijkt met de hulp van het DeltaPort Donatiefonds, RaboBank Zuid-Hollandse Eilanden, Windpark Hartelbrug II en de gemeente Nissewaard.

Met de tentoonstelling ‘Geervliet in 1672, het Rampjaar’ in Museum Stadhuis Geervliet, de plaatsing van een gevelsteen aan het huis waar Willem Tichelaar woonde na zijn benoeming als stadhouder van Putten (juli), de onthulling van een hardstenen reliëf van Philippus Baldaeus in het torenportaal van de Onze-Lieve-Vrouwekerk (september) en het verwezenlijken van dit borstbeeld heeft de Stichting Oud-Geervliet overduidelijk aangegeven dat Geervliet in het Rampjaar een niet te verwaarlozen rol speelde. De onthulling van het borstbeeld van Cornelis de Witt was tevens het sluitstuk van de Geervlietse herdenking van het Rampjaar 1672.

Bron en foto’s van het borstbeeld: https://www.grootnissewaard.nl/nieuws/algemeen/169902/geervliet-sluit-herdenking-rampjaar-af-met-onthulling-borstbeel

Menu